Nobelmagazine
Het Nobelmagazine besteed aandacht aan de beeldende kunst en haar beoefenaars in de twintigste eeuw in Utrecht. Het is vreemd te moeten vaststellen dat wij gemakkelijker iets te weten kunnen komen over kunstenaars uit voorgaande eeuwen dan dat we kunnen achterhalen hoe het gesteld is met de kunst - in al haar vormen - van de twintigste eeuw. Het Nobelmagazine draagt bij tot het behoud van het culturele erfgoed van de provincie Utrecht.
Het Nobelmagazine is rijk geïllustreerd en verschijnt op het formaat 21 x 29,7 cm. Per jaargang verschijnen er 4 nummers. Abonnementen kunnen op ieder gewenst tijdstip ingaan en lopen per jaargang van nummer 1 t/m nummer 4.
De prijs van een abonnement, vier nummers, bedraagt € 30,00. Een los nummer van het Nobelmagazine kost € 8,00. Bij nazending van losse nummers worden portokosten in rekening gebracht.
|
Nobelmagazine jaargang 1 Nummer 1 In dit nummer zijn artikelen te lezen over: de schilders Piet Vermeulen, Harrie Sterk en Jo de Recht - de Graaff, de beeldhouwers Cris Agterberg en Theo van de Vathorst, de componist Hendrik Andriessen, ontwerper en binnenhuisarchitect Kees Kuiler en de pottenbakker Willem Selhorst. Daarnaast zijn er bijdragen te lezen over het keramische werk van Koos van der Sluijs dat hij voor Westraven maakte, de betekenis van Wouter Kotte voor 'Hedendaagse Kunst' in Utrecht en de twintigste-eeuwse Utrechtse geveltekens. 38 blz. Geïllustreerd: 27 zwart/wit afbeeldingen en 10 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 1 Nummer 2 In het Nobelmagazine nummer twee zijn onder andere bijdragen opgenomen over de graficus Gerard van Rooij, de kunstaardewerkfabrieken Nagtegaal, Katwijk Aardewerk en Klinkenberg Zeist en de edelsmid Ad van Roosmalen. De literatuur is in dit nummer vertegenwoordigd met artikelen over Alain Teister, Wouter Kotte en het literaire tijdschrift Parasol. De ontwikkeling van de film in Utrecht komt in een artikel over Louis Hartlooper aan bod, terwijl in de bijdrage over Hennie Oliemuller aandacht aan het cabaret in Utrecht wordt gegeven. 38 blz. Geïllustreerd: 41 zwart/wit afbeeldingen en 11vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 1 Nummer 3 Het derde nummer van het Nobelmagazine is in z'n geheel gewijd aan vrouwelijke kunstenaars. In dit nummer zijn artikelen te lezen over: E. Adriani-Hovy (graficus/tekenaar 1873-1957), Johanna Wilhelmina Brom (edelsmid, 1898-1991), Hildegard Brom-Fischer (edelsmid,1908-2001), Nel van der Chijs (edelsmid,1907-2003), Thea Figee (glaskunst, 1952), Hanna Mobach (keramiste, 1934), Erika Visser (graficus/schilder,1919), Etha Fles ( schilder, 1857-1948), Willy Keereweer (keramiste/edelsmid, 1907-1994), Catharina van Rennes (muziek,1858-1940), Clara Verdenius-Pronk (fotografe) en Sofie de Lerma-van der Does de Willebois (keramiste, 1896-1961). 50 blz. Geïllustreerd: 39 zwart/wit afbeeldingen en 20 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 1 Nummer 4 De artikelen in deze aflevering van het Nobelmagazine zijn wee van een grote verscheidenheid. De bijdrage van Hans Ebbink en Peter de Ruiter is gewijd aan de Utrechtse kunsthandel tussen 1918 en 1934). Thea Figee interviewde schrijfster en beeldend kunstenares Dirkje Kuik. Boekhandelaar en fotograaf Gibo Smilda wordt belicht in een artikel van Dick Adelaar. Josien de Jonge schreef over het kunstverzamelaarsechtpaar Carel en Grietje Snethlage. In 'Gert de Rijk & Co.' wordt ingegaan op de vele activiteiten die pottenbakker Gert de Rijk heeft ondernomen met andere Utrechtse kunstenaars. Geert Donkers belicht het werk van Willem Harzing. Een boek over deze sierkunstenaar verschijnt in december 2005 met een begeleidende expositie in het Breda's Museum. Frank Flippo vertelt in zijn artikel over een Utrechts literair cabaret in de jaren vijftig. 38 blz. Geïllustreerd: 30 zwart/wit afbeeldingen en 11 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 2 Nummer 1 Kortgeleden is er in een archief een kleine bundel poëzie van Jacques Boersma te voorschijn gekomen. De gedichten zijn in 1952-1954 in Utrecht geschreven en opgedragen aan zijn toenmalige vriendin Winny Hupkes. De sfeer van de vroege jaren vijftig is in deze poëzie duidelijk te herkennen. De bundel was in een enveloppe verzonden. Aan de bundel waren nog een drietal gedichten in machineschrift toegevoegd. In de reeks Nobelcahiers van uitgeverij Optima wordt een facsimilé-uitgave van deze bundel (en de toegevoegde poëzie) gepubliceerd. De fotografische herdruk zal worden voorzien van een artikel van drs. Dick Adelaar over het kunstklimaat in Utrecht in het begin van de jaren vijftig. De literatuur in de jaren vijftig in Utrecht zal door drs. Roman Koot worden belicht. De uitgave zal worden ingeleid door Ingmar Heytze. Voorts in dit nummer van het Nobelmagazine aandacht voor het keramische werk van
Gert de Rijk, een terugblijk op veertig jaar galerie Jas, de Renildis handpers, het
kunstklimaat in Utrecht tijdens het interbellum en vroeg aardewerk van Westraven.
Daarnaast wordt het werk van de schilders Jeroen Hermkens, Frank Dekkers en Nico Rypkema
besproken. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 2 Nummer 2 Op 22 mei jl. overleed de graficus Koos van der Sluys. Hij had geruime tijd voor zijn overlijden zijn eigen overlijdenskaart gedrukt. Een vier kleurenets. Koos had ook zelf de enveloppen geschreven. Hij had dat al voor het jaar 2002 gedaan want postzegels in centwaarde sierden de enveloppe. Er was daarnaast een postzegel in eurocenten geplakt zodat de verzending op een 'normale'manier kon plaatsvinden. Na afloop van de plechtigheid lag er voor iedere bezoeker een enveloppe klaar waarop met grote letters vermeld stond: THUIS TE OPENEN. Voor zover ik mag aannemen is die wens door iedereen gerespecteerd. Wat er in de enveloppe zat, staat op de voorzijde van dit Nobelmagazine afgebeeld. De titel van de ets had Koos er in potlood bijgeschreven: Mooi de pijp uit! Een hele oprechte, eenvoudige en enigszins cynische titel. In dit nummer van het Nobelmagazine is een artikel van Marcel Gieling opgenomen over de schilder Boetak Hoiting. Hoewel het werk van Hoiting in kleine kring bekend is, geeft dit artikel een nieuwe kijk op Hoitings werk. Van deze kunstenaar zijn een aantal werken in dit nummer opgenomen, waaronder het laatste schilderij dat hij gemaakt heeft. Verder is er aandacht voor beeldend kunstenaar Willem Lenssinck. In zijn werk combineert hij de eigen fantasie, de spanning en beweging in de vormgeving met fantastische proporties, humor en passie. Lenssincks oeuvre is gebaseerd op eigentijdse ideeën, waarbij het concept gelijkwaardig is aan de vormgeving en de ruimtelijkheid van het beeld. Vervolgens vindt u in dit nummer een artikel over gevelsteenhouwer Koos Boomstra en kunstenaar/keramist Tsjerk Holtrop, die op 10 september 2005 hun 25-jarige samenwerking vieren. Een ander heugelijk feit is de ontdekking van de 'Bol van Nol', een soort Panorama Mesdag van de Utrechtse kunstenaar Nol Manten, die negentien jaar lang zoek is geweest. Tevens is er volop aandacht voor componist en criticus Willem Pijper. Een gevreesd en begenadigd criticus die zeer kundig en kritisch schreef over avant-garde muziek. Jeroen de Valk geeft een kijkje in de keuken van Gerard van Rooy en Ingmar Heytze. Voor de nieuwste uitgave van Stichting De Roos ontstond een bijzondere samenwerking tussen de graficus en de dichter. Vervolgens zijn in dit nummer artikelen opgenomen over het oeuvre van keramist Tjerk van der Veen, schilder/hypnotherapeut Eric Wittenberns en de grote Utrechtse corpslustra, waarbij de stad in een feesttoneel veranderde. Ten slotte maakte fotograaf Sjaak Ramakers vier prachtige kunstenaarsportretten, die vanaf dit nummer telkens in het Nobelmagazine verschijnen. 46 blz. Geïllustreerd: 31 zwart/wit afbeeldingen en 17 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 2 Nummer 3 Ook in deze nieuwe uitgave van het Nobelmagazine zijn de er de nodige 'verrassingen' te vinden. In de rubriek 'Nobelmagazijn' wordt met ingang van dit nummer en vervolgens elk oneven nummer van het Nobelmagazine een werk van een Utrechts kunstenaar aangeboden. Iedere keer zal de kunstenaar een toelichting geven op zijn werk. Het kunstwerk dat aangeboden wordt is speciaal voor het Nobelmagazine gemaakt. De oplages zijn vaak niet hoger dan 20 exemplaren. Niet alleen grafiek komt hiervoor in aanmerking maar ook toegepaste kunst als glas, keramiek of metaal. Gerard van Rooy drukt speciaal voor de abonnees van het Nobelmagazine de ets 'Hommel'. Eveneens nieuw is de column 'De Opening' die Thea Figee voor het Nobelmagazine schrijft, waarin zij de sfeer weergeeft van een vernissage. Verder treft u in dit derde nummer van de tweede jaargang van het Nobelmagazine wederom een enorme diversiteit in artikelen aan. Inemie Gerards gaat in op de opvattingen van Jopie Moesman over het surrealisme. Deze visie van Moesman - vormgegeven in een grafiek - treft u aan op een uitklappagina. Thea Figee portretteert de graficus Rolf Weijburg; een graficus die zijn inspiratie vooral opdoet op zijn vele indrukwekkende reizen. Josien de Jonge beschrijft niet allen de schilderijen van Marijke Nielen, maar ook haar multimediamanifestaties. Karen Duking belicht het veelzijdige oeuvre van Nicole Montagne. Over de dozen en urnen van Marja Steinmetz valt te lezen in het artikel van Mireile de Putter. In de bijdrage van Annelore Scholten wordt de schilder Albert Temming voor het voetlicht gebracht. Marcel Gieling beschrijft de wereld van Hendrik Poesiat; een teleurgesteld surrealist, die na vele desillusies in Nederland naar Canada emigreerde en daar zijn rust vond. Leidsche Rijn bestaat tien jaar en in het kader daarvan vindt er een expositie plaats van Utrechtse kunst. In het artikel van Paulo Martina kunt u lezen welke Utrechtse kunstenaars hier aan deelnemen. Wie het alter ego is van Otto Hamer is te lezen in het artikel van Mireile de Putter. Het Nobelmagazine wordt afgesloten met wederom vier prachtige foto's van Sjaak Ramakers. 50 blz. Geïllustreerd: 29 zwart/wit afbeeldingen en 17 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 2 Nummer 4 In dit nummer van het Nobelmagazine een boeiend interview van Thea Figee met de tekenaar en graficus Peter Vos. In het artikel over Atelier Tij belicht Josien de Jonge het werk van de kunstenaars die bij dit atelier zijn aangesloten. Over het driedimensionale werk van Walter Simon kunt u lezen in de bijdrage van Susanne Weide. In het werk van de jonge fotografe Diana van der Ley ligt de nadruk op de geïsoleerde mens als onderdeel van de massa. 'Textiel mag weer!' is de titel van een bijdrage van Cornelie de Kuijper over de textielcollectie van de Kunstuitleen Utrecht. De impact van het werk van glasblazer Jos Böhm wordt beschreven in een artikel van Marcel Gieling. Herma Steur was in de jaren zestig lid van het Grafisch Gezelschap De Luis. Over deze periode, maar vooral over de ontwikkelingen in haar leven en werk heeft Mireille de Putter een interessant artikel geschreven. De Utrechtse beeldhouwer Joop Hekman werd onlangs 85 jaar. Peter ter Veer schrijft over zijn werk en dat van zijn vrienden: Gert de Rijk, Henk en Anco van der Haar en Busse Weidema. Op 10 januari 2006 overleed Heiltje Vollmüller. In het 'In memoriam' dat Marcel Hermens over haar schreef komt haar veelzijdigheid naar voren. Dit voorjaar wordt er een fonds in haar naam opgericht. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 3 Nummer 1 In 1935 werd in Utrecht de schildersgroep Jan van Scorel opgericht door de Utrechtse kunstschilder Piet Rijntjes. De bijeenkomsten van deze groep werden op zijn atelier aan de Mariaplaats (boven de winkel van Swaak) te Utrecht georganiseerd. In tegenstelling tot de surrealistische beweging in Utrecht oriënteerden zij zich meer op het realisme en de daaraan verwante expressionistische vorm. Enkele schilders van deze groep hebben in 1936/'37 een bezoek gebracht aan Constant Permeke. Een van hen - Piet Rijntjes - heeft een aantal weken op het atelier van Permeke mogen werken. De groep is na verloop van tijd uitgegroeid tot een omvangrijk gezelschap met een hechte organisatie structuur. Er was een bestuur, een ballotagecommissie en een redactie voor het 'Mededelingenblad'. Men kon op een vaste avond modeltekenen. Er werden lezingen en excursies georganiseerd. Het werk werd op zogenaamde 'onderlinge' (=besloten exposities) besproken en er werd jaarlijks een premiemap uitgegeven waarin werk van één van de leden was opgenomen. Daarnaast vonden er een aantal groepstentoonstellingen plaats. Voor zover bekend waren de volgende kunstenaars lid van deze groep: Herman Baars, G.H. Boerrigter, D.L. Braakman, J.T. Brantenaar, Hans Coumou-Campfens, Mar Diemèl, Frater Bellarminus Mol, Frater Mattheus, Frater Vitus, J. Goené, F. ten Have, P. Hofstede, George In der Maur, O. Kerssen, Piet Kok, W.J. van der Linden, A. van der Mee, Dicky Meulenbroek, Perdok (ps. Van Henk Schellevis), Henk Poesiat, Frans Nijs, Joop van Ooijen, W. Ooms, Maarten Pauw, Harmen Post, Jan Rodrigo, Piet Rijntjes, Hans Spijkerman, G. van Stoutenberg, Lambert Tabak, Co Teseling, Eka Thoden van Velzen, Jaap Valstar, J.C. Victor, Piet Vos, Nanning de Vries, Tjomme de Vries, Willy Wagenaar, Sonja Westerhout, Fedde Weidema, Bart Wellerdieck, Netty van Wijland, Niek Woudenberg. In het interessante artikel van Marcel Gieling over Eka Thoden van Velzen leest u over de
Jan van Scorel groep. Over tekenclubs is over het algemeen weinig bewaard gebleven. Maar in
een klein archief dook onlangs 'een premieplaat van het genootschap Jan van Scorel' op. Deze
premieplaat was uitgegeven in 1947 en bevat een houtsnede van O. Kerssen. Volgens overlevering
droeg de houtsnede de titel 'de verschoppelingen'.
In het Nobelmagazine staan wederom boeiende artikelen over kunstenaars die in Utrecht
werkzaam zijn geweest of nog steeds zijn. Jan Juffermans heeft een interessante bijdrage
geschreven over de naar Utrecht uitgeweken Belgische schilder Frans de Geetere. Aan het werk
van deze schilder wordt in het Centraal Museum te Utrecht dit najaar een expositie gewijd.
Ter gelegenheid daarvan verschijnt er in de serie Nobelreeks een monografie over hem. Susanne
Weide gaat in haar bijdrage in op het werk van Margreet Baas. Het werk van de beeldhouwster
Willy Blees wordt in een uitvoerig artikel van Peter ter Veer belicht. Ter gelegenheid van
een expositie van het werk van Thea Figee en Ditte Brouwers heeft Joska Tóth Varjú een
bijdrage geschreven over het werk van beide kunstenaressen. In juni bestaat de Utrechtse
Kunstenaars Sociëteit De Engelenzang 55 jaar. Anne de Haan heeft daar haar bijdrage aan
gewijd. Over de kunstenaar Frank Dekkers heeft al eerder in het Nobelmagazine een bijdrage
gestaan. Dit maal schenkt Dick Adelaar aandacht aan zijn 'Alpen-ver-gezichten' Voorts in het
Nobelmagazine een kleine bijdrage over ontwerpers die voor Kunstaardewerkfabriek St. Lukas
gewerkt hebben (in een volgen nummer ook aandacht voor ongeveer 15 nieuwe modellen en
decors). In het Nobelmagazijn 2 wordt de mogelijkheid geboden om een vaas van Thea Figee te
bestellen. Zoals gebruikelijk wordt het Nobelmagazine afgesloten met een drietal prachtige
foto's van Sjaak Ramakers. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 3 Nummer 2 Hoewel de SKU al ruim twee jaar actief is in Utrecht en omstreken, is de stichting op het internet vrijwel onzichtbaar. Zo heeft de stichting nog altijd geen eigen website. Daar is nu verandering in gekomen. In samenwerking met het Erfgoedhuis Utrecht is gewerkt aan een website, waarop alle informatie van en over de SKU te vinden is. Zo krijgt u informatie over de doelstellingen, de verschillende activiteiten, onderzoek en publicaties. De collecties, kunstwerken en archieven die de SKU beheert, zijn in woord en beeld belicht. Een nieuwspagina houdt u op de hoogte van het reilen en zeilen van de stichting. Uiteraard vindt u ook informatie over het donateurschap en over de mogelijkheid kunstwerken en documentatie te schenken.De website is op 1 augustus gelanceerd en vanaf die datum te raadplegen op: www.kunstcollecties-utrecht.nl. In dit Nobelmagazine is een bijdrage opgenomen van Casper Staal. Hij gaat in op het werk
van Ans van Zeijst, die in 1950 toetrad tot de zusters monialen van Sint-Augustinus. Voor
haar toetreding werkte Van Zeijst als ontwerper voor diverse instanties en bedrijven. Het
archief van Ans van Zeijst ligt opgeslagen bij de Stichting Kerkelijke Kunst Nederland
(S.K.K.N.). De S.K.U. en de S.K.K.N. zijn in overleg met het Utrechts Archief om daar het
archief onder te brengen. In het artikel leest u hier meer over.
Voorts in dit Nobelmagazine een artikel van Mireille de Putter over de in Utrecht geboren en
thans werkzame beeldhouwster Jay van der Reijden. Op de vele reizen die ze gemaakt heeft,
heeft ze van verschillende leermeesters les gekregen. Het werk van de autodidact José van
Kleef wordt in het artikel van Thea Figee belicht. In de komende nummers van het
Nobelmagazine bespreekt Peter ter Veer iedere keer twee beelden die op de Maliebaan staan.
In dit Nobelmagazine bespreekt hij twee beelden van de beeldhouwsters Ellie Hahn en
Theresia van der Pant. Hans Ebbink gaat in twee artikelen in op de Utrechtse jaren van
drukker, uitgever en verzamelaar Willem Scherjon. Marcel Gieling schrift in zijn bijdrage
over het werk van Nico Heiligers. De heropening van Museum Catharijneconvent wordt begeleid
door een fototentoonstelling 'De God van Nederland'. In het artikel van Karen Dukig leest u
over deze expositie van hedendaagse fotografie. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 3 Nummer 3 & 4 (Dubbelnummer) Begin september werd er gestart met het werk aan een monografie over het leven en werk van de graficus Gerard van Rooy. Hij was toen al enige tijd ernstig ziek. Er was hoop dat het werken aan het boek hem nog zoveel energie zou geven om voorlopig door te kunnen blijven gaan. Maar helaas kon dat niet meer. Op 20 oktober jongstleden overleed hij. Gerard van Rooy was een kunstenaar die van grote betekenis is geweest voor het culturele leven in Utrecht. In dit nummer van het Nobelmagazine is een 'In memoriam' opgenomen. Het werk aan de monografie gaat verder. Het boek zal eind 2007 verschijnen. Ter gelegenheid daarvan zal er ook een expositie van het werk van Gerard van Rooy gehouden worden. De redactie van het Nobelmagazine is er ook dit keer weer in geslaagd om een breed scala aan artikelen bijeen te brengen. In totaal 15 bijdragen zijn in dit dubbelnummer opgenomen. Op een paar onderwerpen willen wij u attenderen. In het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw werd in Utrecht - als verzet tegen de gezapigheid in het Utrechtse kunstklimaat - de groep 'De Progressieven' opgericht. De groep heeft maar kort bestaan en viel na de tweede expositie (Slot Zeist) uiteen. De schilder Engelbert L.'Hoëst was onder andere lid van deze groep (andere leden waren o.a. Jan Stekelenburg, Gérard Grassère, Douwe van der Zweep, Luigi de Lerma en Antoinette Gispen). L.'Hoëst is een schilder die in de loop der jaren een omvangrijk oeuvre heeft gemaakt. Vorig jaar is er in het museum Flehite een tentoonstelling aan zijn werk gewijd. In Utrecht is er op dit moment een expositie van zijn werk te zien. In de rubriek Nobelmagazijn 3 is ditmaal de mogelijkheid om een vaas van Gert de Rijk te bestellen. In een toelichting schrijft Gert de Rijk over zijn onderzoek naar het tastbare van de vaas: de huid. Het resultaat geeft een verrassend effect. Met dit dubbelnummer van het Nobelmagazine wordt de derde jaargang van het Nobelmagazine
afgesloten. Het eerstvolgende nummer van jaargang 4 verschijnt in maart 2007. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 4 Nummer 1 In dit Nobelmagazine staan wederom boeiende artikelen over kunstenaars die in Utrecht werkzaam zijn geweest of nog steeds zijn. Thea Figee heeft een interessante bijdrage geschreven over de realistische Utrechtse schilder Peter van Poppel, die zichzelf het liefst omschreven ziet als een traditionalist. Zijn werk is momenteel bij Galerie Quintenssens in Utrecht te zien. Karen Duking gaat in haar bijdrage in op het werk van Rien Goené. In het boeiende artikel van Friggo Visser besteedt hij aandacht aan de monumentale stationssculpturen van Jo Uiterwaal. Het werk van de 'Maliebaan'-beeldhouwsters Fioen Blaisse en Lotti van der Gaag wordt in een uitvoerig artikel van Peter er Veer belicht. Ter gelegenheid van de Kunst10daagse bij de zeven locaties van de Kunstuitleen heeft Ingelies Vermeulen een bijdrage geschreven over het werk van Adrie Huisman en Bert Vredegoor, dat daar te zien is. Jetty Krijnen schreef een artikel over de Utrechtse restaurator Lisa Elbers, die haar vak met een intense geboeidheid en passie beoefent. Thea Figee schenkt aandacht aan de Amersfoortse kunstenaars Philip Knipscheer en Bob Kovel (Knikov), die samen kunst maken. Verder een bijdrage van Marcel Gieling over Marc Peters, schilder van stadsgezichten. Zoals gebruikelijk wordt het Nobelmagazine afgesloten met een aantal prachtige foto's van Sjaak Ramakers. 42 blz. Geïllustreerd: 32 zwart/wit afbeeldingen en 9 vier kleuren. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 4 Nummer 2 Dat blijkt uit de jubileum tentoonstelling van kunstenaars van Kunstliefde in het Centraal Museum en in De Zagerij van Dutch Design Center (Pastoe), juni/juli 2007. De werken van 31 van onze kunstenaars geven aan waar ze staan: in het nu, gebruik makend van hedendaagse technieken, vormen en concepten. Alsof Kunstliefde nog maar net bestaat. U weet beter: deze zeer oude kunstenaarsvereniging heeft een lange historie van vallen en opstaan, vernieuwing en achteruitgang, van initiatieven en indolentie. Maar al die tijd verbonden en verknocht aan Utrecht (Utrecht niet altijd aan Kunstliefde …). In dit themanummer wordt echter net gedaan alsof Kunstliefde nog maar zo'n 30 jaar bestaat door enkel aan de periode van circa 1980 - 2006 aandacht te besteden. De onderwerpen van de artikelen zijn een greep uit wat er verteld kan worden. En na de viering van het jubileumjaar zijn er weer tal van verhalen aan toe te voegen. Een club van 200 jaar weet dat het van groot belang is dat je je eigen geschiedenis documenteert, dat je saillante details vermeld, hoogte- en dieptepunten registreert en dat je dat het beste kan doen als je er nog uit de eerste hand kennis van hebt. Over 50 jaar viert Kunstliefde haar 250 jarig bestaan en dan zal worden teruggegrepen naar dit themanummer en gezegd: "wat was dat een spannende tijd, wat gebeurde er veel, wat werden er voor onbegrijpelijke ruzies uitgevochten en, had Kunstliefde toen niet beter …" Daarvoor en voor nu is dit themanummer geschreven. Er zal onvermijdelijk commentaar van leden van Kunstliefde komen op de artikelen in dit nummer omdat zij dat nu eenmaal gewend zijn te doen, omdat zij menen dat het anders was dan opgeschreven, omdat zij er gegevens aan toe willen voegen. We zullen pogen die reacties te bundelen zodat dit themanummer een levend nummer wordt. Net zoals Kunstliefde een levende club is van ruim 100 beeldende kunstenaars en zo'n 250 kunstlievende leden. Voor deze ene keer zou het Nobelmagazine niet Nobelmagazine moeten heten, maar Magazine
van Nobelstraat 12; de locatie waar Kunstliefde vanaf 1938 huist nadat zij fuseerde met de
in 1895 uit onvrede met het door Kunstliefde gevoerde tentoonstellingbeleid afgescheiden
club "Voor de Kunst".
"Voor de Kunst" hield vanaf aanvang van haar bestaan vernieuwende en spraakmakende
tentoonstellingen in het pand Nobelstraat 12. Ruim 40 jaar later kwamen beide organisaties
weer bij elkaar. Dus eigenlijk zit Kunstliefde al zo'n 110 jaar op de Nobelstraat. Dan ga je
er niet zo gauw meer weg. Maar verbeteren willen we die ruimte wel, net zoals we ook de
kwaliteit van het door leden van Kunstliefde gemaakte werk steeds willen verhogen. Dat
blijkt, hoop ik, ook uit de jubileumtentoonstellingen.
Want Kunstliefde bestaat nog maar net. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 4 Nummer 3 In dit Nobelmagazine vindt u een voorproefje van Otto Nelemans, een van de auteurs van de monografie/oeuvrecatalogus Gerard van Rooy, etser. Nelemans vertelt dat van Rooy met Z4 zover wilde gaan dat ‘er vanuit één idee werd geopereerd en wel zodanig dat de kunstenaars als het ware ‘in elkaars kop’ gingen zitten. Het individu zou plaatsmaken voor het collectief.’ Hoe dat uiteindelijk afloopt kunt u lezen in de bijdrage van Otto Nelemans. In dit Nobelmagazine vindt u eveneens een artikel van Thea Figee over het geëngageerde werk van de Irakese kunstenaar Qassim Alsaedy, die schoonheid gebruikt als wapen tegen oorlog. Verder is er aandacht voor de Utrechtse schilder Dolf Zwerver. Josien de Jonge bespreekt zijn leven, werk en drijfveren aan de hand van drie publicaties en recente interviews met de kunstenaar. In het artikel over de restauratie van Kasteel de Haar door architect Pierre Cuypers vertelt Ingelies Vermeulen over de problemen waar Cuypers tijdens de restauratie op stuitte. Paulo Martina en Annelore Scholten schreven een bijdrage over Utrechtse Nieuwe, een tentoonstelling in de Kunstuitleen Utrecht waar werk van jong talent wordt getoond dat de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) net heeft verlaten. In het vierde deel over de ‘Maliebaanbeelden’- sculpturen van vrouwelijke kunstenaars die zich op de Maliebaan bevinden – gaat Peter ter Veer in op het werk van de beeldhouwers Pearl Perlmutter en Luut de Gelder. In de Opening bespreekt Thea Figee de opening van de tentoonstelling The Suspended Moment, H + F Collectie in het Centraal Museum. Verder in dit Nobelmagazine een boeiend artikel van Jetty Krijnen over de bevlogen restauratiearchitect Leo Wevers, die het Maliebaanstation, het Cunera-gebouw en enkele Utrechtse kerken onder handen nam. Tot slot vindt u achterin het Nobelmagazine weer vier prachtige kunstenaarsportretten van Sjaak Ramakers. 56 blz. Geïllustreerd: 26 zwart/wit en 20 vier kleuren illustraties. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|
|
Nobelmagazine jaargang 4 Nummer 4 De Stichting Kunstcollecties Utrecht 1900-2000 krijgt regelmatig werk en collecties aangeboden. Dat is uitermate prettig want dat is een bevestiging van de doelstelling van de Stichting. Maar als een kunsthistoricus hiernaar onderzoek wil doen, moet hij naast het werk van de kunstenaar ook kunnen beschikken over voldoende archiefmateriaal. En met archiefmateriaal wordt bedoeld: genealogische informatie, inlichtingen over de opleiding, uitnodigingskaarten voor exposities, prijslijsten, recensies, catalogi, foto’s van werk, folders etc., etc. Met werk van kunstenaars wordt over het algemeen voorzichtiger omgegaan dan met archivalia en wil je je als kunsthistoricus een goed beeld kunnen vormen van de kunstenaar is juist die – op het oog minder belangrijke informatie - van groot belang. Daarom is het van harte toe te juichen dat aan de Stichting testamentair het werk en archief van kunstschilder Harry van der Wee (Utrecht, 1918) is toegekend. Harry van der Wee heeft niet alleen zijn werk uitstekend gedocumenteerd ook zijn archiefmateriaal is overzichtelijk geordend. Uit zijn archiefmateriaal blijkt welke opleiding hij heeft gevolgd, met welke kunstenaars hij heeft samengewerkt (de schilder Rien Goené, beeldhouwer Paul Kingma, graficus Henk Hester, de fotograaf Niek Woudenberg, etc.) en waar hij geëxposeerd heeft. In het kleurkatern is een afbeelding van een schilderij van hem opgenomen. Binnenkort zal in een artikel aandacht aan et werk van Harry van der Wee worden besteed. Verder in dit nummer wederom een breed scala aan onderwerpen. Over het werk van Marie-José Robben schrijft Thea Figee een mooi artikel over het werk van Mari-José. Het werk van fotograaf Sjaak Ramakers komt in het artikel van Karen Duking uitvoerig aan bod. In het artikel van Mireille de Putter wordt ingegaan op de manifestatie Lichtkunst in Amersfoort – ‘Lumineus Amersfoort’. Karen Duking gaat in op het werk van de Utrechtse beeldhouwer Ruud Kuijer. In dit omvangrijke artikel wordt naast aandacht voor zijn werk ook aandacht gegeven aan zijn culturele ondernemersschap. Ingelies Vermeulen schrijft over de architectuur van ‘de inktpot’ van W.G. van Heukelom. Ook in dit nummer weer een boeiende bijdrage van Peter ter Veer over de beelden aan de Maliebaan. Galerie 10 is nieuw in Utrecht. Susanne Weide laat in haar bijdrage ons kennismaken met deze galerie. Marcel Gieling schrijft over Theo Mackaay die zijn beelden in China laat gieten. Het Nobelmagazine wordt zoals gebruikelijk afgesloten met prachtige foto’s van de beeldende kunstenaars: Gerard van den Berg, Imke Ruigrok, Jan Bovenberg en Margreet Baas. 48 blz. Geïllustreerd: 33 zwart/wit en 17 vier kleuren illustraties. 21 x 29,7 cm. Geniet. |
|

